Behandeling Babcock & Wilcox ketels.

Worden de ketels met residu gestookt, dan zal met één brander in elk vuur de temperatuur van het ketelwater soms nog te vlug opkomen; beurtelings kunnen dan één of twee vuren geheel afgezet worden, terwijl met het doorpompen wordt doorgegaan. De afgezette vuren moeten dan goed afgesloten worden, opdat er geen koude lucht kan toetreden.
Zoodra de vuren ontstoken zijn, worden de hoofdstoomafsluiters en smoorkleppen een weinig opengezet, terwijl alle aftapkranen aan cilinders en mantels geheel worden geopend, teneinde de lucht uit de ketels te verwijderen en de machines te verwarmen.
Zoodra hiertoe voldoende stoom op de ketels is, wordt met de centrifugaalmachine of het donkey, circulatiewater door de condensor gevoerd om dezen koel te houden.
Gedurende het opstoken overtuigt de machinist der wacht zich, dat alle machinedeelen en de as in den tunnel geheel vrij zijn, het turntoestel uit zijn werk is en zich geen gereedschappen tusschen de machines bevinden, zoomede dat alle machinedeelen van olie voorzien en de noodige kranen en afsluiters geopend zijn.
Nadat het manoevreeren is afgeloopen en het sein "volle kracht" gegeven is, mogen de machines niet dadelijk met volle kracht uitgezet worden, doch moet de gang zoodanig geregeld worden, dat de stoom geleidelijk de volle spanning verkrijgt.
Iedere machinist dient goed op de hoogte te zijn met de "Voorschriften voor het ketelruim", welke voorschriften in de machinekamer aangekondigd zijn, teneinde overtuigd te zijn van een goede werking van den ketel en mede de oorzaak van elke afwijking te kennen. Hierdoor zal men in staat zijn eventueel direct maatregelen te treffen om averij te voorkomen.
Het is van het grootste belang den ketel zoowel in als uitwendig goed schoon te houden en defecten aan het metselwerk, zoomogelijk direct te verhelpen.
Het voedingwater moet zoo zuiver mogelijk in den ketel worden gepompt, terwijl er vooral voor gewaakt moet worden, dat geen olie, met het voedingswater mee in den ketel komt. De aanwezigheid van olie is één van de voornaamste oorzaken van moeilijkheden met stoomketels, aangezien hierdoor zeer spoedig oververhitting van de platen veroorzaakt. De belangrijkheid van dit punt kan niet onderschat worden. Ook een vereischte is het om lucht uit het voedingswater te houden en dient er voor gezorgd te worden, dat het condenswater op zijn weg van de luchtpomp naar den warmwaterbak niet met lucht in aanraking komt, terwijl zoomogelijk het water, alvorens het naar de ketel te voeren, moet worden verwarmd tot nabij het kookpunt. Lucht in het voedingswater veroorzaakt vooral bij aanwezigheid van koolzuur intering in stoomketels. Dit koolzuur komt vrij uit zeewater, dat bij eventuele condensorlekkage in den ketel wordt gepompt. Nu kan de schadelijke werking van koolzuur worden opgeheven dor toevoeging van kalkwater aan het voedingswater. Hierdoor wordt het koolzuur gebonden en ontstaat er koolzure kalk en water. De koolzure kalk is onoplosbaar en kan dus door spuien, nadat eenige uren geen stoomafname van den ketel heeft plaats gehad, verwijderd worden.
De te gebruiken kalk is het gewone gebluschte handelskalk, welke in poedervorm op een droge plaats bewaard dient te worden. Kalkwater is een oplossing van 1 K.G. kalk op 10 L. water, terwijl voor het gebruik deze oplossing gezeefd dient te worden, teneinde er de onopgeloste stukken uit te verwijderen. De toevoeging van kalkwater aan het voedingswater moet onder stoom zoo regelmatig mogelijk geschieden en is in gewone omstandigheden een hoeveelheid van 3/4 K.G. kalk per 1000 P.K. per etmaal voldoende.
Het ketelwater moet dagelijks worden onderzocht en indien blijkt dat het chloorgehalte hooger is dan 1000 greins per gallon, moet meer kalk worden toegevoegd. Een voortdurende contrôle op de kleur van het water in het peilglas is gewenscht. Dit mag slechts vuilgrijs of strookleur hebben en duidt een donker-roode of zwarte kleur op intering. Deze moet dan onverwijld worden tegengegaan door oordeelkundig gebruik van kalk en soda, na onderzoek van het ketelwater. Verder moet door veelvuldig breinen en spuien het ketelwater dan zooveel mogelijk ververscht worden.
Zooals reeds eerder vermeld moet er vooral op gewaakt worden, dat geen olie in den ketel met het voedingswater meekomt. Het is echter uiterst moeilijk om het voedingswater, wanneer er eenmaal olie in aanwezig is, weer door middel van filters geheel olievrij te krijgen. In den regel komt de olie als emulsie in het water voor en deze is dan bijna niet door gewone filters te verwijderen, ofschoon aanwezigheid van kalk in het voedingswater in zekere mate filtreeren ten goede komt. De voedingwaterfilters moeten dan ook steeds zorgvuldig worden schoongehouden. Het gebruik van soda in gevalllen waar olie door een of andere oorzaak toegang tot de ketels heeft gevonden geeft wel eens aanleiding tot opkooken, tengevolge van de vorming van zeepachtig schuim op het wateroppervlak in den ketel. In die gevallen gebruikte men kalkwater alleen, terwijl men door het breinen het schuim moet verwijderen.


Onderzoek ketelwater.

Het ketelwater dient dagelijks te worden onderzocht met het Babock & Wilcox toestel, dat bestaat uit een maatflesch, een flesch zilveroplossing van 4.738 gram zilvernitraat op 1000 gram gedistlleerd water, een flesch chloorkalium (10 % oplossing) een flesch phenolphtalein, benevens een flesch 0.01 normaal zuur (oplosing van 63 gram zuiver salpeterzuur op 100.000 gram gedistelleerd water)


Onderzoek op chloor.


Ter bepaling van het chloorgehalte vult men de maatflesch tot aan de nulstreep met het te onderzoeken ketelwater, voeg een druppel chloorkalium toe en schud de flesch. Voeg daarna druppelsgewijze de zilveroplossing toe onder herhaaldelijk schudden van de maatflesch; zoodra nu het water rood wordt en rood blijft bij het schudden houdt men met de toevoeging op. De vloeistofhoogte in de maatflesch afgelezen op de schaalverdeeling geeft dan het aantal greins chloor per gallon in het ketelwater aan.
Als het ketelwater een weinig alcalisch is, kan bovenomschreven proef zonder meer plaats hebben. Reageert het water sterk alcalisch, dan moet het alvorens het chloorgehalte onderzocht wordt, geneutraliseerd worden door toevoeging van salpeterzuur als bij "onderzoek op alcaliniteit" is voorgeschreven.
Ingeval het chloorgehalte zoo hoog is, dat de verdeelingen op de maatflesch voor het aflezen ontoereikend zijn, kan men het te onderzoeken water verdunnen met gedistilleerd water, doch moet bij de aflezing hiermede rekening gehouden worden, b.v. is het ketelwater tot 1/4 verdund, dan moet men het getal, waarbij de kleur van het water omslaat met 4 vermenigvuldigen om het juiste chloorgehalte te verkrijgen.


Onderzoek op Alcaliniteit.


Voor het onderzoek op alcalinieteit vult men de maatflesch tot op het merk 700 met het te onderzoeken water, waarmee man 4 à 5 druppels phenolphtalein toevoegt waardoor het water duidelijk rood wordt en rood blijft.
Daarna voegt men aan deze roode oplossing salpeterzuur oplossing toe. Is het water werkelijk alcalisch, dan verdwijnt de roode kleur eerst nadat de merkstreep 800 op de schaalverdeling is bereikt. De hoeveelheid toegevoegd zuur geeft de alcaliniteit aan van het water. Is er zooveel zuur noodig, dat de vloeistofspiegel het merk 1300 overschrijdt, dan is de alcaliniteit te hoog en moet er minder soda aan het ketelwater worden toegevoegd. Wordt bij toevoeging van de phenolphtaleine het water niet rood, dan is het niet alcalisch en moet er meer soda aan het ketelwater worden toegevoegd.
Bij gebruik van enkel Priok-water zal blijken, dat toevoeging van soda niet behoeft plaats te hebben om in gewone omstandigheden het ketelwater alcalisch te houden.

Stoomopstoken en onderhoud.


Voor het ontsteken der vuren overtuige men zich dat er voldoende water in den ketel is en de peilglazen juist aanwijzen. Is de bemetseling nieuw aangebracht, dan moet het stoomstoken zer langzaam geschieden, in normale gevallen kan men zoo vlug opstoken als de vuren het toelaten. Over het algemeen moet 2 à 3 uren tevoren de vuren worden ontstoken. Gedurende het opstoken controleert men de deksels, die los zijn geweest, en trekt deze met een,speciaal voor dit doel, aanwezige sleutel na. Het natrekken mag in geen geval geforceerd geschieden, door b.v. gebruik van een lange hefboom aan den ringsleutel.
Voedingsregelaars moeten tijdens het stoomstoken beproefd worden.
Onder stoom dient eveneens alle aandacht worden besteed aan oordeelkundig stoken en goed waterpeil in den ketel. Het schoonmaken der vuren moet indien noodzakelijk, zoo snel mogelijk gebeuren. Zoo mogelijk moet op korte trajecten het schoonmaken tot na aankomst op een ligplaats worden uitgesteld. Roetblazen moet in verband met de verstookte kolensoort en den schoorsteentemperatuur worden geregeld. Het schoonblazen dient alleen dan te geschieden, als de ketel met goede vuren vol in bedrijf is. Zet zich vliegasch op de pijpen vast, dan moet dit met schrapers verwijderd worden, gedurende het afstaan van de ketel. Gedurende de ligtijden, wanneer de ketel buiten bedrijf is gesteld, moeten de vlamkeeringen, het metsel en roosterwerk op geregelde tijden (minstens ééns per maand) door den Hoofdmachinist worden onderzocht en gebreken hieraan direct verholpen. Ook de andere machinisten zullen zoo vaak als mogelijk hun aandacht aan bovenstaande onderdeelen van den ketel schenken en bij bevinden van gebreken, hiermede hun Hoofdmachinist onverwijld in kennis stellen.
Eveneens moeten kleine lekkages aan waterpijpen zoo spoedig mogelijk, nadat deze zich openbaarde, worden hersteld, terwijl van de meest opgezette pijpen geregeld de doorzetting moet worden opgenomen. Tijdens de vaart moet minsten twee keer per maand door den Hoofdmachinist den toestand van de vlamkeeringen, zoowel horizontaal als vertikaal, worden geïnspecteerd, door het openen van de middelste zijdeur. Alvorens tot roetblazen met stoom wordt overgegaan, dient alle water in de stoomleiding door aftappen te worden verwijderd, aangezien het spuiten van water tegen de vuile, heete pijpen, aankorsting tengevolge heeft en hierdoor de warmte overdracht zeer belemmerd wordt. Het roetblazen dient zoo te worden geregeld, dat iedere ketel om de twaalf uur (vol bedrijf) een beurt krijgt.
Geene veranderingen mogen aan de luchttoevoerleidingen, dan wel vlamkeerschotten worden aangebracht, zonder hiervoor toestemming verkregen is van den Chef van den Technischen Dienst. Van alle inspecties, dan wel reparaties moet door den Hoofdmachinist melding worden gemaakt in het maandrapport.


Beproeving machines, etc.


Alvorens onder stoom gaan, moeten de stuurinrichtingen, telegrafen en de machine beproefd worden.
Het beproeven der machine mag allen geschieden, nadat de 1e stuurman daartoe vergunning heeft gegeven en zich overtuigd heft, dat de ligging van het schip zulks toelaat en de schroef vrij is, terwijl tijdens de beproeving een der stuurlieden op de brug moet zijn om, wanneer nodig, de telegraaf over te halen als sein, dat er onmiddellijk gestopt moet worden.
Op het achterschip moet eveneens een wacht worden geplaatst om toe te zien dat er geen vaartuigen nabij de schroef komen.
Moet de machine worden getornd, dan dient de hoofdmachinist eveneens den 1en stuurman daarvan eerst in kennis te stellen, die dan den noodige voorzorgen neemt, dat er geen vaartuigen nabij de schroef komen tijdens het tornen. Is het tornen afgeloopen, dan wordt zulks direct den 1en stuurman medegedeeld.

 

A:Buitenromp

f:schoorsteen met demper

o: rij-ijzer

B:Voorfront

g:langssteunen

p:doodbed

C:Achterfront

h:kamsteunen

q:brandplaat

a:vuurhaard of vuurgang

i:steekbouten of steunbouten

r:rooster-ijzers of baren

b:vlamkast

k:mangat

s:vuurbrug

c:vlampijpen en steunpijpen

l:slijkgaten

t:stoelen

d:rookkast met deur

m:vuurraam met deur

e:schoorsteenloop

n:demper