MEESTER JACOB

 

Het Franse getijde haventje, Treguire noordkust Bretagne. De Borelly ligt in de middag hout te lossen in een stralend weer. Voor op de bak zijn Jos en ik bezig de verschansing  aan de binnenzijde te bikken en in de menie te zetten. Het vlotte goed. De Borelly werd weer als nieuw, zowel aan boord als de romp. Al weken waren we, als de gelegenheid zich voor deed, meter voor meter, van voor naar achter, de scheepshuid van verf te ontdoen , roestvrij te maken, te menieen en tenslotte in het mooie lichte grijs te tjetten. De opbouw achterop was klaar en helder wit waar de gele schoorsteen met blauwe band mooi tegen af stak. De luchtkokers in typisch ‘coaster’ geel. Ze mocht er zijn, de Borelly.

Het was ook een fijn schip met een leuke ploeg aan bemanning. Kapitein –eigenaar Eltjo Hut was tevreden over z’n schip en bemanning. Zijn vrouw was onze kok  en we mochten daarover niet klagen 

Jos, Barend, Pukkie en ik aan dek. Meester Jacob, een boom van een kerel, sterk als een paard, voerde het bevel in de vetput en Jan de tweede hielp hem daarbij. Op de brug dan kapitein Hut en Amsterdamse stuurman met snorretje waarvan ik de naam niet meer weet. Maar op de meeste schepen was de stuurman, gewoon ‘stuur’, en wist men zijn naam niet eens. Mevrouw Hut in de kombuis dus. Never nooit geen ruzie, gewoon een gezellige club.

 

We kwamen net van Vasterhas, ergens in de Stockholmer Scheren, met hout voor Frankrijk.

In de morgen,weer lekker zonnig, gingen we met drieen tijdens pikheet even de wal op. Bij de bakker was een meiske van een jaar of zestien de winkelruit aan het zemen en daar ons Frans niet zo bijzonder was zei Jos op z’n Hollands,”effe helpe?”. Hierbij pakte hij de emmer water en vroeg aan ons,”Wie wil?” Ik voelde al wat ie wilde gaan doen en zei”Ja de knijp!”En ; klets!’,kreeg ik de volle emmer water over me heen. Ik dacht, hij gooit toch niet en Jos dacht, hij rent wel weg! Nou, toch effe gelachen en het Franse meisje nog het meest. Het was warm, en mijn kleren droogden snel de middag.

Rond een uur of vier vroeg de meester of we het olievat dat voor tegen het schot van de bak gesjord zat naar achter wilden zeulen. Prima, doen we even, de deklast was er af en het vat was bereikbaar dus da’s zo gepiept. M’n hoela! Loodzwaar dat kreng. Dan maar doorrollen naar achter en het via de trap op de campagne zien te krijgen. Gosamme, sodemieter...fy for fanen.. dat viel niet mee, met vieren nog niet en zeker niet toen Pukkie de verjkeerde kant uit begon te rukken.

“Man oh man nog ’s an tou jongs.....gaot ’s eeb’n aon de kaant....”! Dat was Jacob, de meester. Hij sprong in ’t gangboord en tilde de drum in een keer boven de trap op het achterdek. “Klaor...!”

We hadden wel eens staaltjes van zijn kracht gezien, maar dit was toch geweldig. “Joe mot weet’n hou joe dat dut!”zei ie nog een verbluft stel achterlatend terwijl ie het vat verder naar achter rolde. Hoe hij er mee in de machinekamer is gekomen konden we ons nu lichtelijk voorstellen. Hem kon je beter met je mee hebben als je de wal op ging en ergens gedonder kreeg. En s'avonds was dat zover. Het schip lag aan een lange kade dat ontzettend breed was. Het haven terrein werd geflankeerd door een lange rij huizen waarvan het meest links de’bakker’van die ochtend en in het midden, recht tegenover ons, een hotel cafe. Dus we hoefden niet ver, en kwamen ook niet verder. Wij, van dek, en de twee meesters namen onze posities in aan de bar. Jacob was meteen gecharmeerd van de dame achter de bar en mompelde iets van ”Dat wicht moet ik heb’n!” Maar het werd al snel drukker. Na ons, kwam de luidruchtige ploeg van de Duitse coaster Laura achter ons, een uur later een twintigtal Franse studenten die snel onder de indruk van de drank waren en waar Jos en Jacob al een paar handtastelijken van zich zich af sloegen. Jacob kreeg nu geen aandacht van de mooie dame meer en zei dat we met onze vin rouge maar voor de deur moesten gaan zitten. Maar op weg naar buiten passeerden we de trap en ik stelde voor even boven te gaan kijken, misschien zijn daar wel de wilde wieb’n!

Geen schoon vrouwvolk maar wel een stapel dozen met flessen cognac. Wij waren nou niet van die types die alles mee naar huis zeulden, dat kon je niet maken met zo’n mooie juf achter de bar en van wie de tent bleek te zijn. Dus moesten we de dozen daar maar ledigen, boven aan de trap. We begonnen keurig met een fles open te maken die van mond naar mond ging. Toen er twee studenten bij kwamen moesten we er nog een openen. In een mum waren we kachel mede door de snelheid waarmee gedronken werd en Pukkie en Berend waren al snel aan boord, ook omdat ze de drank vies vonden maar cognac moet je leren drinken, met kleine teugjes. Wij hadden grote teugjes en heel veel. Dus dat duurde nog een uurtje en we brachten elkaar naar het schip dat nu op de bodem van de rivier lag omdat het laag water was of liever, er helemaal geen water meer was.

Jos en de tweede meester waren al aan boord gekletterd en te kooi gegaan en Jacob en ik stonden nog even te bakkelijen met wat studenten en een paar Duitsers. Ons schip war viel schoener als die Duutse vond Jacob en wee je gebeente als je het daar niet mee eens was.

Een studentje vond van niet dachten wij en werd door Jacob het plein over geslingerd terwijl de rest ging kijken hoe het met hem was.

Toen gingen wij aan boord. Jacob vroeg mij zijn colbertje, wat ie de hele avond niet aan had maar over z’n schouder had hangen, aan de deurklink van de messroom te hangen, dan zou hij die wel vinden en mee naar beneden nemen. Hij wilde namelijk nog even langs de kade afdalen en naar de schroef gaan kijken. Daarna zou ie nog even naar het hotel gaan om te zien of de mooie madame te bereiken was. “Da’s goed,meester, de rust!”en ik nam z,n jasje mee en hing dat aan de klink en ging te kooi waar de rest al lag te ronken. Voor ik afdaalde naar de verblijven hoorde ik ergens Jacob zeggen,”Wat een mooie schroef ja, veul mooier dan die Duutse!”

 

De andere morgen open gooien en daarna ontbijten. In de messroom vroeg de ouwe of we Jacob gezien hadden. Nee, niemand, maar we waren ervan overtuigd dat ie bij het vrouwtje van het hotel zat. Z’n jasje hing nog aan de messroomdeur. Nee, die zit geheid bij dat wicht.

“Nou, dan ga maar eens eeb’n kieken dan!”zei de ouwe. Pukkie stond op en begaf zich aan de wal en was snel weer terug. Dicht, gesloot’n! Was zijn verslag bij terug komst.”Nou dan kijken we straks wel even als ze op zijn”was Jos zijn mening. Dat vond de rest ook.

Maar tegen de middag was ie nog niet terug en toen Pukkie weer bij het hotel was geweest kon hij vermelden dat de meester nooit in het hotel was geweest die nacht. Vreemd, niks voor Jacob.

Net na de middagpauze op weg van de messroom naar voren om de bak verder te behandelen werd onze aandacht getrokken door een kinderstem aan de kade. Automatisch kijk je dan waar het geluid vandaan komt en zagen een klein meisje met haar arm gebaren en ze gilde wat onverstaanbaar Frans. Ze bleef wijzen naar het wederom drooggevallen zand van de rivier en Jos Berend en ik stapten aan wal om te gaan kijken wat er gaande was want vanaf het schip hadden we nog niets ontdekt wat haar zo van streek kon maken. Je zag alleen massa’s bonken donkere stenen en zeewier.

Alsof er met een hamer op je kop werd geslagen zagen we wat het kind bedoelde en waar ze naar wees.

Diep beneden ons, tussen de stenen lag een mens, languit op de buik en het gezicht van ons afgewend. Maar in een blik zagen we dat het Jacob was. Nog denk je, hij leeft nog en is bewusteloos en vast van de kaai gesodemieterd.

Intussen waren  ook haven werkers bij ons komen staan en staarden naar het lichaam daar beneden op het zand en stenen. Iemand had de politie al gewaarschuwddie snel ter plaatse was en afdaalde via de kade trap . Jos was ze net voorgegaan nadat hij uit z’n nare droom wakker was geworden. We zagen hem knikken tegen de twee agenten en maakten hier uit op dat het Jacob was die daar lag en hoorden een agent zeggen,”Il est mort!”

Op de lagere school had ik frans gehad en begreep dat er geen hoop meer was voor onze meester. Dood....onvoorstelbaar....maar hoe...wat? Ach, je had geen idee wat er gebeurd was met hem en we hadden diverse mogelijkheden voor zijn dood bedacht

Misschien .van de kade gevallen via een berg zand dat aan de rand lag? Bij zijn val bewusteloos geraakt en toen bij opkomend tij verdronken? Of van de trap geschoven bij het weer naar boven gaan na zijn schroefinspectie? Nek gebroken en op een verschrikkelijke manier verdronken, verlamd en bewust van het opkomende water en niets kunnen doen? Waarom had ie niet geroepen? Had ie misschien ook wel maar werd door de benevelde kameraden niet gehoord? Er waren zoveel scenario’s mogelijk en op dat moment had alleen Jacob geweten wat er met hem gebeurd was.

Niet lang daarna, nadat er foto’s van Jacob en de onheilsplek genomen waren werd hij op een brancard naar boven gehesen door ambulancepersoneel, geholpen door ons.

Danig onder de indruk en in  stilte hesen we Jacob aan wal en zette hem even op de grond. Vreemd! Hij zag er zo vredig uit, alsof hij ietwat glimlachtte in een diepe slaap.

Hele fijne zandkorreltjes had ie op z’n wang en voorhoofd maar verder wees niets op een dramatische val. Ik veegde nog even vluchtig over zijn voorhoofd toen de brancard weer werd opgepakt en in de ambulance werd geschoven en toen deze wegreed werd er door niemand iets gezegd en ging ieder zijns weegs. De Havenarbeiders weer naar hun te lossen hout uit het ruim, het meisje dat de ontdekking deed was al stilletjes met ik denk haar moeder vertrokken en de mooie dame van het hotel glimlachtte even troostend naar ons en zoook het meisje van de bakker die we tussen de omstanders ontwaardden. Wij klommen weer aan boord zonder een woord te zeggen en gingen aan het werk. Wel had ik meteen de vlag achterop halfstok gehangen eigenlijk meer als een teken van groet naar de meester die nu ergens op weg was naar een ziekenhuis voor verder onderzoek.

We bikten en verfden maar wat, ieder in z’n eigen gedachte. En die avond werd er weinig gegeten en lagen we vroeg op onze kooien.

Geen van ons was op onze jonge leeftijd van zo dichtbij met de dood geconfronteerd en zeker omdat het een geliefd persoon betrof  werd het drama groter.

De volgende dag, nadat het ruim leeg en gezwiept was, kwam de gendarmerie nog aan boord en moesten een voor een ons verhaal doen aan hen in de salon van de kapitein.

Daarna kon het schip vertrekken en voeren we zonder eerste machinist naar Zweden terug. Hout laden voor Delfzijl, kanaalzijde- noord. In het Kielerkanaal kwam de Polizei ons nog eens verhoren maar we konden alleen maar herhalen wat we wisten. Ik kreeg ekstra aandacht omdat ik de laatste was die hem levend gezien had. Je voelde je bijna schuldig daarover.

Maar ik had hem alleen maar goeie rust gewenst en zijn jasje aan de klink gehangen, c’est tout, das ist alles! Wel heb ik nog lang gedacht, was ik die avond maar met Jacob meegegaan dan  hadden we elkaar misschien kunnen behoeden voor een ongeluk. Nooit meer iets gehoord over het ongeval of over Jacob. Daarom vond ik dat ik dit verhaal, hoe triest ook, eens moest vertellen aan anderen omdat Jacob niet zomaar gestorven is.

Het is eigenlijk Jacob’s verhaal.

Ed