De Laatste twee reizen van RMS. Statendam zoals een ass.WTK. die ervaarde.

 

Op 21 October 1939 monsterde ik om als ass.WTK. op de Bontjassenboot te gaan varen. De herinnering aan de twee reizen op dat schip, hetgeen jaren lang Neerlands grootste passagierschip was geweest, waren nu niet bepaald om over naar huis te schrijven. De HWTK daar aan boord was een Godheid waarvan bekend was dat hij nieuwe assistenten tenminste 3 maal de zak gaf op hun eerste reis. De 2e WTKs waren, althans dat dachten zij, uitverkoren wezens die beter waren dan hun mindere collega's die op vrachtschepen vaarden. De 3e WTKs leden ook al aan een soort hoogmoedswaanzin omdat zij uitverkoren waren op de "Bontjassenboot" te mogen dienen. De 4e WTKs waren nog normale wezens, met de assistenten behoorden zij tot het slavenvolk van de 2den- en 3den-WTKs. Een assistent werd door 2den en 3den beschouwd als een wezen dat stom geboren was en er nooit iets had bijgeleerd, het was "iets" dat je nodig had om afsluiters open en dicht te draaien, tempera- turen en drukken te verzamelen en die in het journaal te schrijven. Voorst kon je er je morgenziekte op afreageren.

Assistenten huisden met hun tween in kleine binnenhutjes, een soort overmaatse doodkisten geheel met donker mahoniehout betimmerd, twee kooien boven elkaar met wat laden eronder,2 hangkastjes en een piepklein schrijfbureautje. Een nauw tweezits bankje en een stoel. De verlichting bestond uit een glazen stolpje met een 25 watt kooldraadlampje, schrijven aan het bureautje moest men in de schaduw van het eigen lichaam doen. De dwarsscheepse gangetjes die toegang gaven naar deze hokken waren zo nauw dat 2 mannen elkaar niet konden passeren. Aan de buitenkant van deze steegjes lagen de hutjes van de 3e en 2e WTKs, deze laatste hadden bij de gratie Gods een patrijspoortje. Als een assistent uit zijn kooi wilde klimmen moest zijn hutmaat tegen de deur gaan staan, beiden aan-of omkleden was er niet bij, daar was gewoon geen ruimte voor. Verse buitenlucht werd in het hok geblazen met "louvres". Aan het einde van de langsscheepse hoofdgang van het WTK kwartier was een grote ruime wasgelegenheid met een rij wastafels en douchecellen, daarnaast was de messroom. Tegenover de ingang naar de messroom was de lift naar de machinekamer, een schip met een machinekamerlift daar moest je trots op zijn.

Als assistent moest je echter als je op wacht ging de trappen afdalen, langs de ketelwater voorwarmers, het was daar om de moord te steken, maar je moest daar de temperaturen opnemen en de chef van de wacht leerde je heel snel waar je allemaal op moest letten als je de trappen afdaalde. Om in die hitte de boel te controleren was een assistent al heel snel goed genoeg. Mijn hutmaat werd ingedeeld bij de hondenwacht, ik bij de 4-8 wacht. De 2e WTK, chef van de wacht, zetelde meestal op het manoeuvreerbordes bij de lessenaar, een 3de op de stookplaat, een 3de in de motorkamer en een vierde voor de vriesinstallatie met assistent puppes rond hollend in de machinekamer om temperaturen en drukken te verzamelen voor het journaal .

Tegen het einde van de wacht kwam de Lord and Master van de wacht van zijn troon en gaf mij dan opdracht een wielspanner te pakken. Er werd dan een afsluiter aangewezen die ik open moest draaien, nog een afsluiter en nu op die knop drukken. "Als U had gezegd dat ik moest gaan lenspompen dan had ik dat zo gedaan,mijnheer" zei ik tegen de 2e WTK. Ik werd gelijk afgesnauwd met "Hou je bek,jong", later toen hij wat meer vertrouwen in mij kreeg werd dat beter. Aan het einde van iedere wacht moest het gemaakte aantal omwentelingen van SB en BB hoofdturbine worden berekend. Dat gebeurde op het hoofdbordes, het was het enige moment dat de assistent in het Kroondomein van de chef van wacht mocht komen.Als wij op wacht kwamen ging de hondenwacht af, wij maakten dit gebeuren dus iedere keer mee.

Mijn hutmaat had moeilijkheden met het aftrekken van de 2 getallen omdat het grootste getal onder het lagere getal stond van de vorige wacht, dus schreef hij de getallen met krijt op de lessenaar. Dat mocht echter niet van de Lord and Master van de hondenwacht, die hem dan links en rechts om zijn oren stond te slaan waarna de knaap helemaal niet meer in staat was om na te denken. Tegen de zijkant van de condensor van SB hoofd turbine had men een grote schrijftafel gemaakt waarop het indrukwekkende kladjournaal lag, de 3den,4den en assistenten vulde hier de door hun verzamelde drukken, temperaturen en verder gegevens in. Als ass.WTK van de 4-8 wacht was mij de eervolle taak toebedeeld om iedere morgen de peilingen van alle dubbele bodem tanken te verzamelen en die keurig netjes in te vullen op een door mij te tekenen dubbele bodemplan van het schip en te zorgen dat deze vr 08.30 bij de HWTK afgeleverd was, compleet met datum exclusief vette vingers en/of verbeteringen. De datum schreef ik altijd klakkeloos over uit het journaal, op een goede morgen had een van de 3den de verkeerde datum in het journaal geschreven, ik had die zonder nadenken gewoon overgenomen. Doordat ik door deze werkzaamheden niet op tijd aan de ontbijttafel kon zijn mocht ik bij de Gratie Gods en die van de HWTK(of moet dat andersom zijn ?)mijn ontbijt in mijn hut nuttigen.

Iedere morgen kreeg ik dan op een groot verzilverd dienblad alle gebakken eieren die overgebleven waren keurig netjes afgeleverd in mijn hutje. Ik herinner mij dat ik er in die tijd geen been in zag om 6 gebakken eieren achter elkaar naar binnen te slaan. Terwijl ik bezig was mijn ontbijt te verorberen kwam de steward van de HWTK mij vertellen dat ik onmiddellijk op het matje moest komen. Ik zie de man nog achter zijn grote bureau zitten met zijn sombere gezicht en zijn tandenborstel wenkbrauwen. Hij overhandigde mij mijn laatste creatie van die morgen en zei "bekijk dat eens goed knul, zie je daar geen fout in ?" Als de bliksem ging ik alle peilingen na maar ik kon geen fout ontdekken "Kijk dan eens naar de datum,klungel" beet hij mij toe, toen ik op zijn kalender keek zag ik dat daar geen moer van klopte. Ik had kunnen zeggen dat ik die datum klakkeloos uit het journaal had overgeschreven maar dat had toch niet geholpen, dus heb ik maar gezegd dat ik niet wist hoe ik aan die datum kwam. Hij vroeg toen nog wanneer mijn meisje en ik jarig waren maar dat hielp ook geen moer.

Ik kreeg toen wel een les die mij mijn gehele leven is bijgebleven.

" Zie die trommel daar,joh?" vroeg hij "Daar gaan alle papieren voor het kantoor in:journaals, reisrapporten en wat dies meer zij, ieder stukje papier dat ik in die trommel doe controleer ik van A tot Z voor het er in gaat. Als je wat wil bereiken in de wereld moet je daar ook een gewoonte van maken". Ik kon gaan. Dat was dan die verschrikkelijke HWTK die iedere nieuwe assistent 3 maal de zak gaf op zijn eerste reis op de "Bontjassenboot", ik heb dat lesje goed onthouden en lees zelfs nu nog dit verhaaltje door vr ik het aan derden geef !

De HWTK ging altijd na zijn ontbijt zo om een uur of 10 een rondje door de machinekamer maken ,geheel opgedirkt in zijn laken uniform, compleet met pet en "Maarschalkstaf"(zijn flashlight). Op een goede morgen toen hij van zijn rondje naar boven kwam in de lift was er een schalkse 2e elektricien die de stroom naar de lift uitschakelde toen de lift de Hoge Druk voedingwater voorwarmers passeerde. Zoals reeds eerder gezegd was het daar om de moord te steken,5 minuten in de nabijheid van die voorwarmers en de reuzel loopt uit het daarvoor ontworpen kanaal. De stroom werd weer ingeschakeld, de lift kwam omhoog en een briesende HWTK in lange onderbroek met zijn laken uniform over de arm stapte de gang in terwijl in alle zijgangetjes 2den-3den-4den en assistent WTKs om een hoekje stonden te gluren. 4de WTKs moesten de proviandkamers temperaturen, voordat zij dat gingen doen kwamen zij met een boodschappen lijstje rond de bestellingen van de 2de en 3de op nemen, er werd goed gesmikkeld op wacht ! De verse melk werd vervoerd in de ouderwetse melkbussen, van een 4e wtk heb ik geleerd hoe de room van de melk te halen van een verzegelde melkbus met een hangslot door deksel en bus. Het was vrij simpel in het midden van het deksel zit een gaatje van pak weg 10 mm, met een dunner peilglas werd de room verwijderd met menselijke zuigkracht. Levende in een binnenhut, etende in een messroom zonder poorten, werkende in een machinekamer met kunstlicht zagen wij nooit daglicht. Wij konden ons echter"luchten" op een achterdekje waar de kerrie emmers geleegd werden, het stonk er als de hel en het dek was bepaald niet anti-slip. Als wij op dit dekje een luchtje gingen scheppen was het verplicht een pet te dragen en alle 4 de knopen van onze uniformjasjes dicht te doen. Lang leve de passagiervaart !

In New York moesten assistenten wachtdoor lopen bij de evaporators, de wacht werd dan gewijzigd in 8 op 16 af. Na mijn 2e reis op dit prachtige passagiersschip met zijn 3 schoorstenen, dat jaren lang het grootste passagierschip van Nederland is geweest. Een schip dat vele jaren tot de verbeelding van vele jeugdige Rotterdammers had gesproken als zij majestueus afgemeerd lag aan de Wilhelminakade, werd opgelegd m.h.o. op het oorlogsgevaar.

Het heeft niet mogen baten want in de Mei dagen van 1940 werd zij aan de Wilhelminakade in de brand geschoten.

En zo prijkte er in mijn monsterboekje het 2e schip waarop ik de laatste reis mee maakte.

Er zou er nog n volgen want 3 x is scheepsrecht !