Bemanningszaken (2)

Zoals ik al eerder schreef, was ik amper 15 jaar oud toen ik in dienst trad van de rederij. Zo groen als gras, wel de klok horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt, dat moge blijke uit het volgende verhaaltje.

Al weken liep ik te zeuren dat ik ook eens een schip wou bekijken. Het werd steeds uitgesteld, iedere keer weer met een andere smoes. Maar op een dag lag één van onze schepen aan de Parkkade en de gageadministrateur (g.a.) moest er heen voor een gesprek over de overwerklijsten (altijd een dispuut). Eindelijk mocht ik dan mee. De Parkkade was op loopafstand van het kantoor, dus geen reiskosten. Ik werd voorgesteld aan kapitein Ků.met een K. (want er was ook een kapitein met dezelfde naam alleen geschreven met een C.) Nadat de zaken waren besproken was het tijd voor iets gezelligs. Ik kreeg mijn eerste sherry (vind ik nog steeds lekker) en er werd wat over koetjes en kalfjes gesproken. Zowel de kapitein, als de g.a. en ik kwamen niet van onze stoel af, dus veel van het schip heb ik niet gezien. Na een uur of twee was het weer tijd om naar kantoor te gaan, want er moest ook nog gewerkt worden. Daar aangekomen werd mij vol verwachting gevraagd: "En Wil, hoe vond je het schip". Ik antwoordde heel verontwaardigd: "Weet ik veel, ik heb er niets van gezien, ik ben niet verder geweest dan de kooi van de kapitein". Toen wist ik niet waarom iedereen begon te grinniken. Nu wel.

Wil W.