DE LAATSTE REIS VAN HET STOOMSCHIP BINNENDIJK.

Op 24 Augustus 1939 monsterden wij op de Binnendijk voor één reis naar New York and outports. Zonder vermeldingwaardige gebeurtenissen kwamen wij veilig in New York aan. Er gingen verhaaltjes rond dat als je de goede bladzijde van het scheepsjournaal opensloeg, die schuit haar eigen weg naar New York kon vinden. Er werd veel geromantiseerd over Neerlands Christelijke Koopvaardij, in wezen was het een doodsaai vervelend bestaan van: Op wacht, van wacht, op wacht, van wacht met een beetje Torn toe(overwerk) er tussen door waarvoor een ass.WTK. in die dagen de som van fl.0.15 per uur kreeg.

Van New York ging het langs de Oostkust naar de diverse havens zoals Philadelphia, Baltimore etc..Ik herinner mij dat wij op 3 September in Baltimore lagen dat was de dag waarop Chamberlain de volgende boodschap aan het Britse Volk gaf: "This morning the British Ambassador in Berlin handed the German Government a final note,stating that unless the British Government heard from them by 11 o’clock that they were prepared to withdraw their troops from Poland,a state of war would exist between us. I have to tell you that no such assurance has been received and consequently this country is at war with Germany".

De Hwtk. had mij de wal op gestuurd om wat kranten te gaan kopen want iedereen zat in spanning en zag de 2e wereld oorlog aankomen. Ik kwam om even over 12 uur aan boord terug en haastte mij om aan tafel te gaan. Ik smeet de kranten op de midden tafel en nam mijn plaatsje in aan het einde van SB salontafel en zei terwijl ik plaats nam "De oorlog is uitgebroken in Europa, dit schip komt nooit meer in Rotterdam terug, maar wij wel". Waar ik dat vandaan haalde weet ik niet, het rolde zo uit mijn mond ! De 2e wtk wilde meer weten maar ik wist niets meer dan ik gezegd had en ik was er heilig van overtuigd dat er "iets" ging gebeuren.

Wij vertrokken van Baltimore naar New York en gingen een paar dagen later vandaar op de thuisreis. Na een rustige reis over de Atlantische Oceaan kwamen wij veilig in het Engelse kanaal, op 7 October 1939 waren wij om ongeveer 22.00 uur in de buurt van Shambles Light, mijn hutmaat en ik lagen rustig te slapen toen wij abrupt wakker schrokken van een allemachtig harde knal, het leek of het hele schip uit het water getild werd. Wij sprongen uit onze kooien en stonden met ons blote voeten in water en glasscherven, de commode, waarin een schoon- en een vuilwater tankje zaten, was van het schot gekomen en lag langsscheeps door de hut. Wij trokken als de bliksem wat kleren aan, waarbij ik mij herinnerde dat ik een witte ijstrui had die ik snel aantrok. Gewapend met onze zwemvesten haastten wij ons naar het sloependek, daar stond de Hwtk. te argumenteren met de Kapitein. De Hwtk. wilde proberen het schip op het strand van Weymouth te zetten, zodat op zijn minst de lading geborgen kon worden. De Kapitein wilde in de sloepen gaan, de Hwtk won en stuurde mij naar het voorschip om de dubbele bodem tanken te peilen, om zo te weten te komen waar het schip geraakt was.

Terug kijkende kwam tijdens die operatie een stukje van mijn opvoeding om de hoek kijken. Mijn Moeder was één van die verschrikkelijk zindelijke Nederlandse vrouwen, die altijd liep te poetsen en boenen, die mijn broer en mij niet vuil kon zien. Menigmaal zijn mijn broer en ik in onze jeugd 2 of 3 maal per dag van schone kleren voorzien. Daar hou je een tik van over en op een gegeven moment weet je niet beter of je moet er netjes en schoon bijlopen. Ik ging dus in mijn uniform met spierwitte ijstrui eronder naar het voorschip om tank 1 en 2 SB en BB te peilen. De peilstok ging niet eens tot de bodem in de dikke stookolie-smurrie. Met mijn flashlight in mijn mond stond ik zo goed en kwaad als het ging de lijn van de peilstok af te vegen en er voor te zorgen dat ik geen stookolie op mijn kleding kreeg en ook niet op het dek morste ! Bezopen want wat maakte dat nu uit op zo’n moment.

Toen ik klaar was en rapport had uitgebracht werd ik naar de machinekamer gestuurd om daar te helpen. Het idee was om voldoende stoom te kunnen maken om het schip naar het strand te laten varen. Dat was echter makkelijker gezegd dan gedaan want de stookoliefilters, welke aan de stookolie heater gegoten waren, waren er afgebroken. Met houten stutten was men bezig de filters op hun plaats te brengen en aan te drukken door zware stutten tegen de fundatie van de HD turbine te zetten hoopte men voldoende druk te kunnen krijgen om de ketel branders te kunnen ontsteken. Bij iedere poging spoot echter de stinkend hete stookolie uit de scheur. Er werd getracht een nood verband om de scheur te leggen, maar terwijl wij daar mee bezig waren kwam de Kapitein in de top van de machinekamer ons zeggen dat wij het schip moesten verlaten. De Hwtk.(mijn zeevader)nam mij apart en nam mij mee naar SB kant van de machinekamer, daar stond een lichtmachientje te draaien op de resterende stoom in de voze radijzen(Schotse ketels). Het één cilinder expansie machientje stond rustig licht te draaien, terwijl het stand-by machientje er naast finaal aan diggelen lag. De gietijzeren kolom waarop de cilinder rust en waaraan de leibaan bevestigd was, was helemaal in vuist grote stukken gebroken terwijl de cilinder aan gruzelementen lag op de bearing fundatie. Op mijn vraag aan de Hwtk hoe dat in God’s naam mogelijk was antwoordde hij, een man van weinig woorden zijnde "Synchrone trillingen". Daar moest ik het voor dat moment mee doen. Hij wees mij op de luchthelmen van bijna alle up en down pompen die waren afgebroken. Veel tijd hadden wij echter niet en als laatste verlieten wij de machinekamer.

Boven gekomen hoorden wij dat een tender, de radarboot "Victoria" langszij was gekomen, de Hwtk zei mij naar mijn hut te gaan en zoveel mogelijk spullen in een lade te gooien en een andere lade er op zijn kop op vast te binden. Zo heb ik bijna mijn gehele uitrusting gered. De tender bracht ons naar Weymouth waar wij ontvangen werden door de Chef van de Politie, de Douane en mensen van het Leger des Heils, in optocht werden wij naar het "Golden Lion Hotel" gebracht. Bij het hotel aangekomen scheen de Hwtk met zijn flashlight langs het front van het hotel en belandde met zijn lichtstraal op een grote vergulde leeuw. Hij riep toen uit"Jezus, moet je de kloten van leeuw zien". Het was voor het eerst dat iedereen in de lach schoot. De Chief of Police wees hem er echter snel op dat er black out was en dat wat hij gedaan had niet mocht.

Weymouth is een zomerbadplaats en in de winter zijn de meeste hotels gesloten, dit was het enige hotel waar accommodatie direct verkrijgbaar was, maar niet genoeg voor de gehele bemanning. Dus moesten er een stel naar het Leger des Heils, Dat werd de bemanning, de officieren konden in het hotel blijven, de Marconist en ondergetekende werden mee gestuurd om de orde te handhaven, dat was nu niet bepaald een linke zet want de marconist en ik deden even hard mee met de kussengevechten die in de grote zaal van het Leger werden gehouden. Een paar dagen later kregen wij bericht dat wij naar London zouden gaan om daarvandaan met de Statendam naar Holland te varen. De reis naar London werd gemaakt per dubbeldekkerbus, een nieuwe ervaring voor vele van ons. Het was een prachtige rit door het Graafschap Kent, het leek wel iets op een schoolreisje van de leerlingen van een middelbare school in plaats van een stel volwassen schipbreukelingen. Er werd gezongen en bier gedronken waardoor er diverse sanitaire stops gemaakt moesten worden. Het is jammer dat ik geen fototoestel bij mij had want een Hwtk, een Kapitein, een eerste stuurman(in uniformen) met daarnaast een paar matrozen en olielieden op één rij in de berm van de weg is geen alledaags schouwspel. Wij kwamen dus op de Statendam waar wij gastvrij werden ontvangen en passagiershutten kregen toegewezen. Dat was weer een nieuwe ervaring, als passagier op die bontjassenboot te kunnen zijn, en wij genoten ervan. Toen de Statendam de Hoek van Holland naderde en de loods ging oppikken was ik met de 4e wtk aan het wandelen op het promenade dek, achter ons liep de Hwtk en de Kapitein. Wij zagen dat er niet één maar twee loodsen aan boord kwamen maar besteedden er verder geen aandacht aan.

Wij liepen richting voorschip toen één van de loodsen op ons af kwam, het was mijn vader ! Hij liep echter straal langs mij heen naar de Hwtk en de Kapitein, die hij feliciteerde met hun redding en toen aan ze vroeg of ik mijn plicht had gedaan. Daarna kwam de oude Heer naar mij toe sloeg mij op de schouder en zei"Goed zo joh, gefeliciteerd met je redding". Hierna feliciteerde hij de 4e en toen vroeg hij of wij het zwaar hadden gehad, de 4e en ik vonden dat het allemaal nog al mee was gevallen.

In Rotterdam, in de ontvangsthal van de HAL werden wij toegesproken door de Directeur van de HAL, die feliciteerde ons met onze redding, prees de machinedienst de hemel in voor hun gedrag en beloofde ons een bonus van 3 maanden gage, die ik vandaag de dag nog moet krijgen net als 2 latere bonussen die mij beloofd werden.

Als ik al die bonussen gekregen had en vast gezet had was ik nu een man in bonus geweest.

C.de Neef.